menu Sluit het hoofdmenu

Stekeblind: Team Grensstreken Dagblad van het Noorden duikt in het diepe

geplaatst op Oversteken zebrapad met blindengeleidestok (bron foto: Pepijn van den Broeke)

Het Grensstrekenteam ziet geen hand voor ogen. De leden knallen tegen fietsen op de blindegeleidestrook, botsen op lantaarnpalen en vallen bijna in het water. Verslaggevers van Dagblad van het Noorden bekeken de faciliteiten voor blinden en slechtzienden in Emmen en Groningen door met een speciale blindenbril van het station naar het centrum te wandelen. Dit deden ze onder begeleiding van Wendy en Piet, trainers van Bartiméus en Bert Vos, ervaringsdeskundige.

Team Grensstreken

Brutaal, gek, op het randje, actueel en relevant. In de multimediale, maandelijkse reeks Grensstreken duikt een verslaggeversteam van het Dagblad van het Noorden in het diepe. De groep neemt zelf deel aan de verhalen. Deze week bestaat ze uit Maaike Wind, Bas van Sluis en Annique Oosting.

Stop!

Verstijft blijft Annique Oosting staan. Haarstok zweeft in de lucht. ”Waar denk je dat je bent?’’ Ze haalt vertwijfelt haar schouders op. Net waren ze in de Groninger Folkingestraat, maar nu? Toch al bijna op de Vismarkt? Dat kan niet anders, voor haar ligt natuurlijk het fietspad. Maar goed dat haar begeleider Piet Strijker stop riep. Anders was ze vast overreden. “Op de Vismarkt?’’ Strijker lacht.  “Nee joh, nog maar halverwege de Folkingestraat. Je ruikt toch ook geen vis? Je stapte bijna in een fiks gat, voel maar met je stok.’’ Ze tikt op de grond, en inderdaad, de straat houdt plots op. Zonder hekje, zonder waarschuwing. ”Daarom moet je je stok op de grond houden, anders breek je je enkel.’’ Voetje voor voetje schuifelt Oosting om de opening heen. Het huilen staat haar nader dan het lachen. Ze stootte al bloempotten om, kwam amper de brug bij het Groninger Museum over en gooide bijna een reclamebord om. “Blind zijn is belachelijk lastig.’’
Even daarvoor startten we onze Grensstrekendag op het station van Groningen om te testen of je als blinde of slechtziende van het station naar het centrum van de stad kunt lopen. Dat testen we in twee steden: Groningen en Emmen. We zijn niet alleen. Strijker en Wendy Potze lopen mee. Ze zijn trainers van Stichting Bartiméus. Ook slechtziende Bert Vos (50) uit Tolbert wandelt mee. Vos verloor de afgelopen acht jaar grotendeels zijn zicht, inmiddels ziet hij nog maar 6 procent.
We krijgen allemaal een bril waarmee de beleefwereld van een blinde wordt nagebootst. De bril van Oosting houdt alles tegen, ze ziet werkelijk niets meer. De bril van Wind laat nog wat licht door, waardoor ze nog wat vage kleurvlakken kan zien. Van Sluis ziet wat licht en heeft bovendien een klein beetje beeld. In het midden van zijn linkeroog zit een klein gaatje waardoor hij naar buiten kan kijken. “Kokervisie’’, zegt Potze.  “Een van de vele vormen gezichtsveldbeperkingen.’’

STROOK

Het eerste obstakel blijkt het nieuwe platform voor het station. Vol hoogteverschillen, hoekjes, hekjes en onduidelijkheden. Onze trainers besluiten dat we deze hindernis maar niet moeten nemen. “Veel te ingewikkeld’’, is hun conclusie. Dus starten we op een blindegeleidestrook. Van Sluis voorop, die vrijwel gelijk tegen een paal oploopt. Die staat pal naast de roomwitte strook met geribbelde tegels. Er zit nog geen centimeter tussen. “Dat is tegen de richtlijnen’’, vertelt Vos. "Er zou zestig centimeter tussen moeten zitten. Maar hier ís tenminste nog een blindengeleidestrook.’’
We slaan voorzichtig de hoek om en knallen bovenop een neergepleurde fiets. Het is niet de enige fiets die op de blindenstrook staat. “Wat een aso’s’’, vindt Van Sluis. En dan moet het eerste echte obstakel nog komen: het oversteken van de Stationsweg. De stoplichten klikken als vuurtorens in de mist, maar we moeten eerst bij die paal komen. Daarvoor moeten we het fietspad oversteken en dat is met haastige studenten geen gemakkelijke opgave. Bovendien moet je in rechte lijn oversteken en dat blijkt godsgruwelijk moeilijk. We zwabberen als dronken torren naar de overkant. We leren rap trucjes. Muurtjes gebruiken bijvoorbeeld, als een strook zomaar stopt. Maar ook dat systeem is niet waterdicht. Van Sluis hoort dat de muur iets anders klinkt dan daarnet. “Waar sla je denk je tegenaan”, wil Potze weten. “Een hekje?’’ Het blijkt een auto te zijn. Bloempotten, fietsen, spulletjes uit een winkel die uitgestald staan op straat, tafels en stoelen van terrassen krijgen van ons meppen. Je weg vinden tussen een drukke stad blijkt een crime.
Het oversteken van het Zuiderdiep blijkt nog veel moeilijker. Potze legt uit hoe het moet. Stilstaan, de stok rechtop voor je zetten, en dan horizontaal in de lucht steken. “Als je dat doet, moet iedereen je voor laten gaan’’, zegt Potze. Wind probeert het en wordt op een haar na ondersteboven gereden door een fietser. Ze wordt net op tijd teruggetrokken. Enige voordeel; ze heeft zelf geen idee van de gevaren.
Veel mensen wijken ook wel als ze een witte stok zien. Van Sluis heeft een andere tactiek. Hij banjert nietsonziend voort. Strijker stelt Oosting voor om te gaan contactlopen, want ze blijft te ver achter. Door met de ellebogen tegen elkaar aan te lopen kan Strijker haar leiden. Zowaar. We bereiken het stadhuis. Een uur en acht minuten. En dat voor een wandelingetje dat normaal in dik tien minuten kan. We zijn kapot. Het blijkt de grootste klacht van blinden en slechtzienden te zijn: moeheid. Alles kost extra energie, moeite en tijd. We zetten onze bril af en genieten dubbelop van het uitzicht op een zonnige Grote Markt.

EMMEN

Vonden we Groningen al ingewikkeld: Emmen blijkt een regelrechte ramp te zijn voor blinden en slechtzienden. We zijn amper het platform van het station af of we botsen tegen een busje van een schildersbedrijf. De auto staat midden op de blindengeleidestrook geparkeerd. Tien meter verder struikelt Van Sluis over fietsen. Wat blijkt, de strook eindigt in een fietsenstalling. "Dit kun je niet menen’’, verzucht hij. We steken een straat over en dan houdt onze trip op. De strook eindigt en muurtjes, handige lijntjes of andere trucjes zijn er niet. Wat nu? We vragen het Vos, die de stad amper kent. "Emmen is verschrikkelijk, zegt hij.  “Er is hier niets. Natuurlijke hulplijnen ontbreken. Ik kom hier in mijn eentje niet.’’ We willen naar het nieuwe Centrumplein. Strijker en Potze helpen ons verder. Ze zeggen waar we heen moeten, links of rechts en manoeuvreren ons langs bomen die plotseling opdoemen, hekjes die openstaan en door drukke winkelstraten. Vos denkt in de Hoofdstraat een fijne natuurlijke looplijn te hebben ontdekt. Dat het smalle gootje midden in een druk fietspad ligt, merkt hij niet. Potze glimlacht als ze Van Sluis van een bomvol terras van De Brasserie moet plukken. Van Sluis voelt zich hopeloos verdwaald. “Waar zijn we in godsnaam’’, vraagt hij.
We zoeken de ingang van het gemeentehuis. We lopen drie keer verkeerd. Niets verwijst naar het gemeentehuis en als we er eenmaal aankomen blijkt het gebouw een draaideur te hebben. Doodeng als je niets ziet, merken we. Geen looplijnen, te weinig contrast tussen de kleuren en de nummertjes voor de wachtrij zijn alleen te zien, ze worden niet omgeroepen. "We worden hier gek als we heel de dag die nummers horen’’, legt de mevrouw achter de balie uit. Afgekeurd, beslissen wij. Het gemeentehuis lijkt op de rest van de stad: totaal niet toegankelijk voor blinden en slechtzienden. We stappen het Raadhuisplein op. De trots van Emmen en dit jaar nog opgeleverd. Dat plein moet veilig zijn, denkt Van Sluis. Op zijn dooie gemakje kuiert hij rond. Strijker ziet het aan, tot de verslaggever richting de fonteinen wandelt. Met zijn stok zwiert hij in het rond, tikt twee keer en stapt dan bijna het water in. Geen hekjes, geen blindengeleidestrook als waarschuwing. “Hier was ik genadeloos in gevallen’’, stelt Van Sluis geïrriteerd. “Onbegrijpelijk dat gemeenten dit zo slecht regelen’’, oordeelt Oosting.

Bovenstaande is een verkorte versie van het krantenartikel 'Stekeblind' dat op 12 september jl. verscheen in het Dagbad van het Noorden.