menu Sluit het hoofdmenu

Promotieonderzoek Giltaij levert nieuwe inzichten op

geplaatst op Promotie Hans Giltaij Bartiméus

Hans Giltaij, klinisch psycholoog/senior psychotherapeut/coördinator GGZ bij Bartiméus promoveert donderdag 23 november aan de Vrije Universiteit in Amsterdam op zijn proefschrift 'Diagnostic Assessment of Attachment Related Disorders in Children with Intellectual Disability'. Met zijn onderzoek levert Giltaij een nieuw diagnostisch protocol en tevens een nieuw observatie instrument om hechting gerelateerde stoornissen vast te stellen bij kinderen met een lichte verstandelijke beperking in de leeftijd van 5-11 jaar. Het gaat om een groep kinderen bij wie tot nu toe maar moeilijk een diagnose gesteld kon worden aangezien er geen goed diagnostisch instrument was.

Verder levert dit onderzoek een verheldering in de definiëring van het onderscheid tussen hechting gerelateerde stoornissen en stoornissen in het autismespectrum. Deze definiëring wordt gebruikt in de DSM5 classificatiecriteria. 

Het onderzoek 

Hans Giltaij heeft de afgelopen twaalf jaar onderzoek gedaan bij kinderen met een lichte verstandelijke beperking in de leeftijd van 5-11 jaar. Deze kinderen waren vanwege psychische, psychiatrische of gedragsproblemen voor onderzoek verwezen naar een gespecialiseerd centrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Deze groep kinderen heeft vaak te maken gehad met problematische situaties in de vroege jaren waardoor geen goede hechting heeft kunnen ontstaan. Kinderen met een lichte verstandelijke beperking hebben drie tot vier keer hoger risico op het ontwikkelen van psychologische, psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen als kinderen zonder deze beperking.  

De resultaten  

Uit onderzoek van Hans Giltaij blijkt dat bij de onderzochte kinderen 18% een hechting gerelateerde stoornis (HGS) heeft. Een verstoorde gehechtheid kan ontstaan wanneer een kind in de eerste levensjaren geen stabiele hechtingsrelatie met een of meerdere voor het kind belangrijke volwassenen (ouders, voogd of begeleiders) kan opbouwen. We hebben als mens een aangeboren drijfveer om ons te hechten aan iemand, die ons zorg, steun en troost biedt. Als door omstandigheden een kind op vroege leeftijd in een instelling wordt geplaatst waar veel wisselende begeleiding is, of in een kindertehuis, of door ziekte veel tijd in ziekenhuizen doorbrengt, veelvuldig wisselt van pleeg- of crisisgezin of te maken heeft met ouders die minder beschikbaar zijn door bijvoorbeeld een drugsverslaving of eigen problematiek, dan loopt een kind het risico op een hechting gerelateerde stoornis.  

Deze groep kinderen loopt tevens een groot risico op het ontwikkelen van andere gedrags- of psychiatrische problemen (comorbiditeit). Ook hebben deze kinderen een grotere ontwikkelingsachterstand dan de onderzochte kinderen zonder een hechting gerelateerde stoornis. Deze ontwikkelingsachterstand is niet te relateren aan de licht verstandelijke beperking, maar aan de hechting gerelateerde stoornis.  

Verder levert het onderzoek een verheldering in de definiëring van het onderscheid tussen hechting gerelateerde stoornissen en autismespectrumstoornissen, zoals gebruikt in de DSM-5 classificatiecriteria.

Toepassing 

De resultaten en conclusies uit dit onderzoek moeten leiden tot een verfijndere aanpak van de begeleiding van kinderen in instellingen en ook tot meer aandacht voor mensen met een hechting gerelateerde problematiek. Zo zou bijvoorbeeld bij de intake van nieuwe cliënten in instellingen standaard meer doorgevraagd moeten worden over de ontwikkelingsgeschiedenis in de eerste jaren van het kind/de cliënt. Naarmate dit later in het leven van de cliënt gebeurt, wordt het moeilijker om de juiste informatie te verkrijgen en daarmee moeilijker om aan gehechtheid gerelateerde stoornissen vast te stellen. Hoe eerder de diagnose kan worden gesteld, hoe beter de behandeling en begeleiding die kan worden geboden. 

Op basis van dit onderzoek is een cursus ontwikkeld voor de interviewmethode om verstoord hechtingsgedrag te diagnosticeren. Deze interviewmethode is onderdeel van het 3-fasenmodel om tot diagnose te komen.  De cursus is bedoeld voor psychologen, gedragsdeskundigen en psychiaters, die diagnostiek uitvoeren en is toepasbaar bij kinderen tot 12 jaar. In Nederland wordt de cursus gegeven door twee universitaire docenten van de VU Amsterdam en door Hans Giltaij zelf. De RINO Groep in Utrecht organiseert deze (postdoctorale) training. Het is de ambitie om het klinisch observatie-instrument uit het onderzoek ook als cursus binnen de RINO aan te gaan bieden.  

Meer onderzoek is nog nodig om het nieuwe protocol en de instrumenten toepasbaar te maken voor oudere kinderen en volwassenen.

Dit promotie onderzoek is mede mogelijk gemaakt door Stichting Bartiméus, Vereniging Bartiméus Sonneheerdt en de Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen.    

Bartiméus gespecialiseerd in gehechtheidsproblematiek

De afdeling Psychotherapie van Bartiméus in Doorn is gespecialiseerd in diagnostisch onderzoek en behandeling van problemen of stoornissen in gehechtheid. In samenwerking met de afdeling Orthopedagogiek van de Vrije Universiteit Amsterdam doen we ook wetenschappelijk onderzoek op dit gebied. Gehechtheidsproblematiek verwijst naar de verschillende problemen die kunnen optreden als de fase van hechting tussen ouder en kind niet of niet goed genoeg verlopen is. Er wordt hiermee zowel het problematische gehechtheidsgedrag bedoeld, als ook de daarmee samenhangende problemen voor de emotie- en stressregulatie en de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind.