menu Sluit het hoofdmenu

Gehechtheidsstoornissen kunnen beter worden vastgesteld

geplaatst op Cover Bartiméus publicatie geschreven door Hans Giltaij

Kinderen met een verstandelijke beperking hebben een hoog risico op het ontwikkelen van een gehechtheidsstoornis. Toch was de diagnose daarvan lastig te stellen. Door onderzoek van Hans Giltaij van Bartiméus wordt dat nu makkelijker.

Hans Giltaij onderzocht de aanwezigheid van een gehechtheidsstoornis bij 102 kinderen met een IQ van tussen de 50 en 85 die vanwege psychische en/of gedragsproblemen zijn doorverwezen naar de specialistische Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) voor kinderen met een verstandelijke beperking. Hij toonde aan dat deze stoornis bij 18% van hen aanwezig is.

Gemis van emotionele basisbehoeften

Een enorm verschil met de naar schatting 1 procent prevalentie bij de doorsnee bevolking. Het ontstaan van deze stoornis wordt verklaard doordat het kind in de eerste levensjaren onvoldoende mogelijkheden heeft gehad om een gehechtheidsrelatie te ontwikkelen met een specifieke volwassene, bijvoorbeeld doordat volwassen verzorgers niet in staat zijn geweest de emotionele basisbehoeften van het kind (troost, affectie, steun) te geven, veel wisselende opvoeders heeft gehad, of opgegroeid zijn in instellingen. Dat betekent dat goede diagnostiek van de gehechtheidsstoornis belangrijk is voor organisaties die werken met deze kinderen.

De vraag is of dat op dit moment wel goed wordt gedaan. Giltaij: 'Ik kom in mijn praktijk nogal wat casussen tegen waarin de gehechtheidsstoornis onvoldoende is onderzocht. Dat is ook wel verklaarbaar. We hebben heel veel instrumenten om een stoornis als autisme vast te stellen, maar heel weinig om een gehechtheidsstoornis te diagnosticeren.'

De DSM-5 geldt als bijbel voor het stellen van psychiatrische diagnoses. Toch geeft dat boek onvoldoende houvast bij het stellen van de diagnose gehechtheidsstoornis. Dat komt onder andere door het exclusiecriterium in de DSM-5: bij vastgesteld autisme is een diagnose gehechtheidsstoornis niet mogelijk. 'Wij hebben met twee instrumenten aangetoond dat dit niet klopt,' vervolgt Giltaij, 'Bij een groep kinderen hebben we zowel de AUTI-R als de DAI (Disturbances of Attachment Interview) afgenomen. Daaruit blijkt dat het exclusiecriterium overbodig is. In de Diagnostic Manual Intellectual Disability (DM-ID) is daarover al een aanpassing gemaakt. We hopen dat dit ook verdwijnt uit de opvolger van de DSM-5. Voor de klinische praktijk betekent dit dat je ook de gehechtheidsstoornis kunt vaststellen als er al autisme is geconstateerd.'

Cover boek Hans Giltaij, werkzaam bij BartiméusStap verder of stoppen

De eerder genoemde DAI bleek in het onderzoek van Giltaij een goed instrument voor de eerste screening van een gehechtheidsstoornis. Voor een precieze diagnose is de Clinical Observation of Attachment (COA) bruikbaar. Deze instrumenten verwerkte Giltaij in een ‘stepped care’ model met drie fasen. Als het nodig is ga je een stap verder in het diagnostisch traject, zo niet dan stop je.

Aansluitend op het proefschrift is een training ontwikkeld voor het afnemen van de DAI. Deze wordt landelijk aangeboden via RINO Groep in Utrecht voor medewerkers in de GGZ en gehandicaptenzorg. Een training over de COA is in de maak.

H. (Hans) Giltaij. Diagnostic Assessment of Attachment Related Disorders in Children with Intellectual Disability. – Proefschrift Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen, 2017

Nuttig voor de praktijk:

  • Meer duidelijkheid over de prevalentie;
  • Nieuw diagnostisch protocol;
  • Training diagnostiek.

Bron: Markant, door Max Paumen.