Kijk, dit is C.V.I.
Je hebt moeite met zien, terwijl je ogen gewoon goed kunnen zijn. Hoe komt dat?
Je ogen ontvangen beelden.
Deze beelden worden door je oogzenuw doorgegeven aan je hersenen.
Je hersenen zorgen dat deze beelden goed worden verwerkt zodat je begrijpt wat je ziet.
Dit heet het visueel systeem.
Wanneer een deel van je visuele systeem in je hersenen niet goed werkt, kan je niet goed zien.
Bij CVI ontvangen of verwerken je hersenen de beelden niet goed.
De beelden die binnenkomen worden verwerkt in je visuele systeem.
Bij die verwerking zijn in je hersenen twee routes: de ‘Wat-route’ en de ‘Waar-route’.
De ‘Wat-route’ helpt je bij het herkennen van voorwerpen.
Bijvoorbeeld: ‘Dit is een tafel’.
De ‘Waar-route’ is gericht op actie en helpt je ook om iets te vinden dat tussen andere dingen ligt, of iets op te zoeken op een plaatje waarop veel te zien is.
Hiermee verwerk je informatie, die je nodig hebt om dingen te doen; om te bewegen.
Hiermee verken je een ruimte.
Je kunt de weg vinden of een kopje pakken om te drinken.
Dit gebeurt er bij een stoornis in je ‘Wat-route’:
- Je hebt een slecht visueel geheugen.
- Je hebt moeite met lezen (herkennen van letters en cijfers)
- Je hebt moeite met het herkennen van gezichten.
- Je hebt moeite met het herkennen van vormen, voorwerpen, plaatjes en symbolen.
- Je hebt moeite met je te oriënteren in een voor jou bekende omgeving
Dit kun je doen:
- Maak gebruik van echte voorwerpen of van duidelijke foto’s.
- Probeer materiaal met duidelijke kleuren en veel contrast te gebruiken, dit kan je helpen bij het zien.
- Gebruik gekleurde plaatjes en foto’s in plaats van zwart/witte plaatjes.
- Voel de voorwerpen die je bekijkt.
- Probeer te vertellen wat je ziet, zo wordt voor anderen een stuk duidelijker wat je ziet.
- Probeer te letten op kenmerken als de stem, schoenen, kleding en bewegingen om personen te herkennen.
Dit gebeurt er bij een stoornis in je ‘Waar-route’:
- Je hebt moeite met het overzien van een drukke situatie.
- Als je moe bent, zenuwachtig bent, iets nieuws meemaakt zie je soms ook minder.
- Je hebt moeite ouders of vrienden terug te vinden tussen andere mensen.
- Je hebt moeite de weg te leren en terug te vinden in een nieuwe omgeving.
- Je hebt moeite met afstapjes en met traplopen.
- Je vindt het moeilijk om snel te reageren op naderend verkeer- soms zie je het verkeer niet goed aankomen.
- Je vindt het erg lastig om een balspel te spelen en bij tikkertje zie je de tikker niet goed.
- Je slaat woorden over bij het lezen.
- Je visuele aandacht is wisselend en vluchtig. Je bent snel afgeleid.
- Je vindt het moeilijk om je leerboeken te overzien (bijvoorbeeld je rekenboek) en terug te vinden waar je mee bezig was.
Dit kun doen:
- Zorg voor goede verlichting op je werkplek.
- Probeer niet teveel dingen tegelijk te doen.
- Zorg voor een rustige omgeving.
- Door vergrotingen of leeshulpmiddelen te gebruiken kan je teksten beter lezen.
- Leg weinig spullen op je tafel neer. Zo houd je overzicht.
- Als je een afdekblad gebruikt hoef je minder tegelijk te overzien en kun je dingen beter zien.
- Probeer te letten op herkenningspunten in je omgeving.
- Je kunt vragen of iemand met je de omgeving wil ontdekken.
- In de gymles kan je vragen om niet zo’n grote groep, de tikker een felgekleurd hesje aangeven, balspelletjes met een grote felgekleurde bal en beperkt geluid.
Kijk, voor meer informatie:
Aph.org (Engels)





